NIOD-medewerkers schrijven over hun werk bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies

Publicaties zoeken

maandag 26 september 2016

Op vakantie bij de NSB

Hoe was het om vakantie te vieren op het terrein waar de NSB bijeenkomsten hield? NIOD informatie-/collectiespecialist René van Heijningen - auteur van De Muur van Mussert (2015) - ontving onlangs een vakantieverslag met daarin een nieuwe kijk op de Muur van Mussert.



Een monument voor de eeuwigheid moest het worden: de muur die NSB-leider Anton Mussert in 1938 op de Goudsberg bij Lunteren liet bouwen. Een monument dat na eeuwen nog zou getuigen van de eendracht en vastberadenheid van het Nederlandse volk.

Slechts twee keer heeft zijn muur dienst gedaan – althans  ten behoeve van het doel waarvoor hij was gebouwd: als een podium vanwaar de zegeningen van het nationaalsocialisme werden verkondigd.  Dat was in 1939 en 1940. De andere jaren van de bezetting was het stil in Lunteren. Mussert moest wachten tot na de bevrijding voordat ‘zijn terrein’ – hij mocht er graag vertoeven – weer bezoekers kreeg, al waren het geen gasten die hij zelf zou hebben uitgenodigd.

De muur van Mussert in 1940. Rechts achter de muur  is nog net het zijraam van de kamer van Mussert zichtbaar. Foto: Beeldbank WO2, beeldnummer 77757

Padvinders, mensen van het Rode Kruis, asielzoekers en Poolse arbeidsmigranten hebben de Goudsberg sindsdien bevolkt. En natuurlijk heel veel vakantievierders; het terrein was immers al vrij snel na de oorlog een camping geworden. Dat zij voor de muur hadden gebivakkeerd, in tenten en caravans, was mij bekend. Dat zij in de muur hadden gelogeerd, evenzo. Alleen een beeld van dat laatste ontbrak. Tot voor kort.

Bedompt vakantiehuisje

Haar ouders hadden een enigszins bedompt huisje gehuurd bij de kuil waar Mussert in de oorlog nog een toespraak had gehouden. Adna wist niet wie dat was, maar ze maakte uit de toon van haar vaders omschrijving op dat die man beter zijn mond had kunnen houden

Het is een fragment uit een vakantieverslag dat mevrouw Adna Luijten uit Leiden mij onlangs stuurde. Als achtjarige had ze in 1963 met haar ouders een week vakantie gevierd in de muur van Mussert. In de kamer van de NSB-leider aan de achterkant van de muur om precies te zijn. Die was na de oorlog door de verhuurder met een erker uitgebouwd tot vakantiewoning.

Adna en haar moeder in 1963 voor de kamer van Mussert. Door de aangebouwde erker kan nu door de muur worden heen gekeken

Op een foto in het verslag zien we Adna en haar moeder gezellig voor de kamer van Mussert zitten. Waar eens het roodzwart van de NSB wapperde, hangen nu witgewassen onderbroeken en gordijntjes. Wat eens moest ogen ‘als een onwrikbaar massieve vesting, als een symbool van onze vastberadenheid om nimmer te wijken’, aldus Mussert in Lunteren in 1939, oogt nu als een symbool van Hollandse kneuterigheid.

Omgang met het oorlogsverleden

 

Maar behalve kneuterigheid verraadt de foto nog iets anders. Zij staat ook symbool voor een pragmatische omgang met het oorlogsverleden. Een plaats waar de leider van het Nederlandse nationaalsocialisme zijn nota’s aan Hitler schreef, waar oorlogsmisdadigers als Seyss-Inquart  en Heinrich Himmler ooit te gast waren, werd zonder problemen verbouwd tot vakantiehuisje. Van maatschappelijke ophef was geen sprake. Wie dit decennium aan de muur wil verbouwen heeft het echter een stuk lastiger. Om precies te zijn: in pogingen om van de muur van Mussert een monument te maken, zit maar geen schot. Waar bij de 'grote broer' in Neurenberg momenteel gewerkt wordt aan een nieuw concept om het partijterrein aldaar als authentischer Lernort  voor toekomstige generaties beter erfahrbar te maken, blijft het stil in Lunteren. Dat is jammer.

Voor een evenwichtige representatie van ons (oorlogs)verleden mag de collaboratie niet worden vergeten. Niet alleen in Gelderland maar in heel Nederland komt de herinnering aan de collaboratie er slecht van af. Onder de duizenden plaatsen die in Nederland aan de oorlog herinneren - aan de militaire strijd, aan onderdrukking, vervolging en verzet, is er niet één die vertelt van en leert over collaboratie. Dat de muur van Mussert zich hier bij uitstek voor leent staat vast. Dit was dé symboolplaats van het Nederlands nationaalsocialisme. Een meer authentischer Lernort  is niet denkbaar.

Door: René van Heijningen

donderdag 18 augustus 2016

De NIOD top 5 van beste WO2-boeken

Historisch Nieuwsblad publiceerde onlangs een Top 250 geschiedenisboeken aller tijden. Welke boeken over de Tweede Wereldoorlog staan daar op en hoe verhoudt zich dat tot de boeken die NIOD-medewerkers het belangrijkst vinden? Senior-onderzoeker Martijn Eickhoff en vakreferent Marjo Bakker zochten het uit.

In de Top 250 van beste geschiedenisboeken aller tijden van het Historisch Nieuwsblad staan ruim 40 boeken die direct dan wel indirect de Tweede Wereldoorlog als onderwerp hebben. Dat is goed nieuws voor de relevantie van het traditionele onderzoeksveld van het NIOD. Nog mooier is dat NIOD-auteurs goed vertegenwoordigd zijn. Van de ruim 40 WO2-gerelateerde boeken zijn er 10 van de hand van (oud-) collega's.

We zijn uiteraard zeer benieuwd welk boek uiteindelijk gaat winnen! Maar in het besef dat de keuzeopties door een commissie zijn bepaald, waren wij ook benieuwd wat een vrije keuze voor lijst zou hebben opgeleverd. Daarom hielden wij een mini-enquête onder de NIOD-medewerkers waarin we vroegen naar de 5 belangrijkste WO2-gerelateerde non-fictie boeken. De boeken hoefden niet per se in het Nederlands verschenen te zijn (dat moesten de boeken op de lijst van Historisch Nieuwsblad overigens wel). Hiermee maakten we het ons, gezien het eigenzinnige karakter van de doorsnee NIOD-medewerker, niet makkelijk. Sommige medewerkers leverden een top 3 in, anderen een top 6. Sommige medewerkers wilden ook documentaires opnemen in hun lijst, anderen juist stripboeken.

Het leidde tot de volgende top 5:
  1. Loe de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog 14 delen (1969-1994)
  2. Jacques Presser, Ondergang. De Vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 2 delen  (1965)
  3. Christopher Browning, Ordinary Men. Reserve Police Battalion 101 and the Final Solution in Poland (1992)
  4. Op een gedeelde 4e  plaats:
    • Sebastian Haffner, Kanttekeningen bij Hitler (1978)
    • Timothy Snyder, Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin (2011)
  5. Op een gedeelde 5e plaats:
    • Jan Brokken, De vergelding. Een dorp in tijden van oorlog (2013)
    • Ian Buruma, 1945. Biografie van een jaar (2013)
    • David Cesarani, Eichmann, his life and crimes (2004)
    • Raoul Hilberg, The Destruction of European Jewry (1961)
    • Kershaw, Hitler 2 delen (1998-2000)
    • Nikolaus Wachsmann, KL. A History of the Nazi Concentration Camps (2015) (lees hier een eerdere blogpost over dit boek)
    • Jolande Withuis, Weest manlijk, zijt sterk. Pim Boellaard (1903-2001), het leven van een verzetsheld (2008)

De NIOD top vier is in zijn geheel opgenomen in de Historisch Nieuwsblad-lijst; de gedeelde NIOD 5e plaats, grotendeels. Van de 54 door NIOD-medewerkers genoemde titels, zijn er 10 van de hand van (oud-)collega’s, gelijk aan de HN-lijst.

De blijvende waarde van leesbare geschiedenissen van WO2


Wat ons vooral opvalt is dat klassieke leesbare geschiedenissen een blijvende waarde blijken te hebben, zowel voor de commissie van het Historisch Nieuwsblad als voor NIOD-medewerkers. Verder is het gezien de diversiteit van de genoemde titels niet eenvoudig algemene uitspraken te doen; er zijn, naast de titels uit de top vijf, 42 titels waar maar één collega op had gestemd. Wereldgeschiedenis, vrouwengeschiedenis en biografische en lokale benaderingen van het verleden zijn bij de NIOD-medewerkers iets beter vertegenwoordigd. Wat beide lijsten delen is een focus op bezettingsgeschiedenis, Jodenvervolging en de vraagstukken wat het nazisme inhield en hoe het kon functioneren.

Waarde van lijstjes


Dat deze zwaartepunten niet vanzelfsprekend zijn, leert een blik op de Best World War II history-lijst van Goodread. Hier zien we evident een – ook door de website zelf onderkende – focus op de Amerikaanse betrokkenheid bij de Tweede Wereldoorlog.

Lijstjes gaan, zoveel is duidelijk, niet alleen over wie of wat er wel of niet op staan, maar zeggen misschien wel veel meer over de omgeving en ervaringen van degenen die ze opstellen.

Door: Martijn Eickhoff & Marjo Bakker

dinsdag 16 augustus 2016

Over de relevantie van modder en hoe wij tot verzoening kwamen

NIOD collectiespecialist Femke Jacobs werkt samen met 5 andere collega's op het NIOD aan de WO2-thesaurus. In deze blogpost vertelt ze over het beheer van de WO2-thesaurus en over opmerkelijke termen op die lijst. 



Eén van de projecten van het Netwerk Oorlogsbronnen is het tot stand brengen van een WO2-thesaurus, een termenlijst voor het toegankelijk maken van WO2-collecties, waarbij de termen door hiërarchische, equivalente en associatieve relaties met elkaar verbonden worden. Collecties kunnen hierdoor niet alleen beter ontsloten maar ook aan elkaar verbonden kunnen worden.

Trefwoordenoverleg

 

De basis van deze WO2-thesaurus is de trefwoordenlijst van het NIOD, die in de loop van vele jaren door medewerkers van het NIOD is ontwikkeld. Deze lijst bestaat uit ongeveer 1400 termen, merendeels zelfstandige naamwoorden, die iets met de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting te maken hebben. Dit zijn voor een deel specifieke termen als Jodenvervolging of Klokkenvordering of Arbeidsinzet, maar ook algemene termen als Economie of Kunst. Tezamen zouden deze 1400 termen alle aspecten van de Tweede Wereldoorlog in het Koninkrijk der Nederlanden (en ook daarbuiten) moeten omvatten. Het onderhoud van deze lijst is een ‘ongoing proces’ en wordt gedaan door een team van collectiespecialisten van zowel bibliotheek, archief als beeldbank. Zij komen geregeld, en vaak tot geamuseerde verwondering van de collega’s (“goh, dat klinkt spannend”), samen in het  zogenaamde ‘Trefwoorden-Overleg’. In het Trefwoorden-overleg wordt besproken of en welke trefwoorden aan de lijst moeten worden toegevoegd, of juist verwijderd of veranderd.

Modder

 

Het NIOD heeft dus één lijst voor zowel bibliotheek, beeldbank en archief, en dat leidt soms tot leuke en leerzame discussies. Zo hadden de bibliothecarissen en de archivarissen hun bedenkingen tegen de relevantie van het trefwoord Modder. (“Modder? Hebben wij echt een trefwoord modder? Haha, die mag er wel uit, toch!”). Dit leidde tot enige emotie bij de foto-deskundige van de BeeldbankWO2, die zijn collega’s moest uitleggen dat modder een tamelijk relevant gegeven was in de militaire geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, met name aan het Oostfront. Het bleek dat er in de Beeldbank maar liefst 126 foto’s waren van vooral voertuigen en soldaten die vastzaten in de modder. Weer wat geleerd! Het trefwoord is misschien niet zo relevant voor de oorlog in Nederland, maar dat is het trefwoord Woestijnen ook niet, en dat willen we toch erg graag hebben voor bijvoorbeeld boeken over de strijd in Noord-Afrika. Modder is sindsdien één van onze lievelingstrefwoorden en we kunnen niet wachten tot we het ook eens in de bibliotheekcatalogus en de archief-inventarissen kunnen gebruiken.

'Festgefahren!' Bron: Beeldbank WO2, beeld 41276

Vergangenheitsbewältigung

 

Omgekeerd denkt de collectiespecialist van de Beeldbank dat hij waarschijnlijk nooit het trefwoord Vergangenheitsbewältigung zal gebruiken. Vergangenheidswat? Wa’s dat dan? Over deze term is dan ook uitgebreid gesproken in het Trefwoorden-overleg en er is zelfs schriftelijk advies over ingewonnen bij de collega’s van de afdeling Onderzoek van het NIOD. Moet dit trefwoord nou echt? Hmm, tja. We hebben echt wel veel boeken (in augustus 2016 staat de teller op 46 titels) over de moeizame pogingen van de Duitse bevolking en historici om het nationaalsocialistisch verleden te analyseren, te verwerken, en om met dat verleden te leren leven. Maar is er dan geen Nederlandse term voor? De beste vertaling zou worden ‘klaar komen met de geschiedenis’. Hmmm, moeilijk. Besloten is de Vergangenheitsbewältigung bis auf weiteres te handhaven.

Verzoening uit Rwanda

 

De WO2-thesaurus zal gebruikt kunnen gaan worden voor uiteenlopende WO2-collecties, wat ongetwijfeld zal leiden tot nieuwe inzichten. In het verleden hebben we bij het NIOD al wat ervaring opgedaan met het vergelijken van de trefwoordenlijsten van andere organisaties. Zo hebben we ons enkele jaren geleden gebogen over de trefwoorden die gebruikt worden door het Kigali Memorial Center voor het ontsluiten van hun uitgebreide collectie aan getuigenissen van overlevenden van de genocide in Rwanda.

Het vergelijken van de Kigali-lijst met die van ons was moeilijk, niet alleen omdat het Rwandese Kinyarwanda natuurlijk een volstrekt andere taal is, waarin woorden vaak niet eenduidig naar het Nederlands vertaald kunnen worden, maar ook omdat de lijst van termen de vreselijke geschiedenis van de genocide in Rwanda verwoordde. Het lijstje woorden dat omschrijft wat er zoal met een machete gedaan kan worden, culminerend in de term Baciwemo kabiri (een lichaam volledig in mootjes hakken), deden ons de haren ten berge rijzen. Maar toch bleken wij bij het NIOD er iets heel positiefs aan te hebben: na alle ellende bevatte de Kigali-lijst namelijk ook nog het woord Imbabazi (verzoening). Hee, Verzoening. Dat woord staat dus wél vanaf het begin in de te gebruiken trefwoorden van het herinneringscentrum voor een genocide van slechts twintig jaar geleden, maar zeventig jaar na 1945 bleek de NIOD-trefwoordenlijst dat woord nog steeds niet te bevatten. Nu dus wel!

Inmiddels is Verzoening, naast Modder en Vergangenheitsbewältigung, ook één van mijn persoonlijke favo-trefwoorden. In de bibliotheekcatalogus is het trefwoord Verzoening inmiddels 77 keer toegekend. En we gaan het vast ook nog wel aan foto’s toekennen.

Door: Femke Jacobs

dinsdag 19 juli 2016

Voorbij de toegevoegde waarde: historici en archeologen

In juni vond de tweede Noordelijke Netwerkdag Oorlogsbronnen plaats. Martijn Eickhoff, senior onderzoeker bij het NIOD, leidde daar een discussie over kamparcheologie, het archeologisch onderzoek naar concencentratiekampen. NIOD-stagiair Alexander van der Meer doet verslag.



Bij onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog werken historici en archeologen vaak langs elkaar heen. Beiden onderzoeken hetzelfde onderwerp, maar de één met behulp van historische bronnen en ooggetuigen, en de ander met behulp van het zogenaamde ‘bodemarchief’. Illustratief voor deze houding is het rapport Archeologie van de Tweede Wereldoorlog, van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, waarin de volgende vraag werd gesteld: ‘Wat kan de archeologie wetenschappelijk gezien nog toevoegen aan de kennis die uit tal van andere historische bronnen en nog levende ooggetuigen bekend is en wordt gevormd?’

Alhoewel het niet ongebruikelijk is dat verwante wetenschapsgebieden elkaar vliegen afvangen, getuigt dit volgens Martijn Eickhoff, senior onderzoeker bij het NIOD, van disciplinaire tunnelvisie. Hij pleit er voor om, in plaats van te redetwisten over toegevoegde waarde, nader tot elkaar te komen. De onderzoeksvragen en methoden van beide disciplines kunnen het onderzoek namelijk ten goede komen. Bovendien kunnen zowel historici als archeologen een maatschappelijke functie vervullen door de herinnering aan het geweld en de slachtoffers levend te houden.

Kamparcheologie 

 

De Noordelijke Netwerkdag Oorlogsbronnen, een bijeenkomst waar beide disciplines, alsook erfgoedonderzoekers en amateurs van allerlei pluimage bijeenkwamen, was de ideale gelegenheid om het bovenstaande ideaal in de praktijk te brengen. Deze dag werd georganiseerd door het Netwerk Oorlogsbronnen, dat tot doel heeft om de collecties van allerlei instellingen over de Tweede Wereldoorlog te bundelen zodat deze beter vindbaar en bruikbaar zijn.

Eickhoff leidde daar een discussie over kamparcheologie, het archeologisch onderzoek naar concentratiekampen, dat de afgelopen 10 à 15 jaar in opkomst is, en geregeld het nieuws haalt. Naast wetenschappelijk  verantwoord archeologisch veldwerk zijn er daarbij ook allerlei raakvlakken met de geschiedwetenschap: de manier waarop maatschappijen zich rekenschap geven van massaal geweld. Kamparcheologie is dus bij uitstek een tak van wetenschap waar beide disciplines elkaar raken. Wat volgt is een verslag van de discussie op deze Netwerkdag over dit onderwerp, waarbij de sprekers vooral uitweidden over de maatschappelijke bijdrage van dit wetenschapsgebied.

Verhaal levend maken

 

Volgens de archeoloog Ivar Schute moeten herinneringscentra van concentratiekampen, en in het verlengde daarvan de kamparcheologie, zich verhouden tot een voortdurend veranderende maatschappelijke context. De jongere generaties hebben meer emotionele afstand tot de oorlog, waardoor een voor hen onbereikbaar verhaal toch levend gemaakt moet worden. In heel Europa is daardoor een verandering waarneembaar waarbij bezoekers niet zozeer geïnteresseerd zijn in monumenten, maar steeds meer een ruimte willen beleven. Kamparcheologen proberen daarom de geschiedenis van een plek zichtbaar te maken op basis van wat zich in de bodem laat vinden. In het verlengde daarvan stelt Guido Abuys, conservator van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, dat archeologische vondsten inderdaad een krachtig middel zijn om associaties op te roepen. Bezoekers stellen prijs op originele voorwerpen, niet kopieën. Een object als een briefkaart die uit de trein werd gegooid, als laatste levensteken, spreekt aan.

Dark tourism 

 

De keerzijde van dit soort toerisme, zoals sommigen het zouden betitelen, werd besproken door onderzoekster Dorina Maria Buda. Zij behandelde ‘Dark Tourism’: het bezoeken van plekken waar verschrikkingen hebben plaatsgevonden. Uit haar onderzoek blijkt echter dat dit niet zozeer een macabere vorm van ramptoerisme is, maar dat de bezoekers wel degelijk getroffen (willen) worden door het gebeurde, en daar lering uit trekken.

Kenniswinst?

 

De archeoloog Evert van Ginkel was tot slot kritisch over de kenniswinst die met de archeologie geboekt kan worden. Archeologen worden immers opgeleid om de prehistorie te onderzoeken, niet de zeer recente geschiedenis. Daarmee lijken we weer terug bij af te zijn. Desalniettemin is hij wel van mening dat zijn vakgebied een bijdrage kan leveren aan het levend houden van de herinnering aan massaal geweld. Een object koppelen aan een plek is een zeer sterk medium om een verhaal te vertellen. Reflectie op het verleden – en daarmee op het heden – en de daarbij opwellende emotie, geven aanleiding voor de bezoeker om figuurlijk dieper te graven.

 

Conclusie 

 

Concluderend kan archeologie een maatschappelijke functie vervullen, alsook een wetenschappelijke discussie op scherp zetten. Er zou noch debat moeten zijn over de vraag of archeologie een hulpwetenschap is van de geschiedenis, noch zou er een hiërarchie van bronnen gemaakt moeten worden. In plaats daarvan zouden wij onderzoeksvragen moeten ontwikkelen die hetzij meer historisch, hetzij meer archeologisch zijn. Voorbij de toegevoegde waarde!

Verder lezen:

Door: Alexander van der Meer

dinsdag 12 juli 2016

EHRI in Boekarest

Op 22 en 23 juni 2016 vond in Boekarest de EHRI General Partner Meeting plaats. NIOD informatiespecialist Annelies van Nispen is vanuit het NIOD betrokken bij EHRI en doet verslag van de bijeenkomst.



Het EHRI-project (European Holocaust Research Infrastructure) kwam voor zijn jaarlijkse General Partner Meeting in Boekarest bij elkaar op 22 en 23 juni. EHRI heeft 23 partners in 17 landen. Van alle instituten waren er vertegenwoordigers. Omdat de focus van EHRI in deze fase voor een belangrijk deel ligt op Oost-Europese landen waren we te gast in Boekarest. Het Elie Wiesel National Institute for the Study of the Holocaust in Romania organiseerde samen met het NIOD de bijeenkomst. Tijdens de General Partner Meeting werden de resultaten van het afgelopen jaar gepresenteerd en was er een korte vooruitblik naar het komende jaar. In deze blogpost geef ik een korte impressie.

Foto: INSHR-EW










EHRI is een netwerk van mensen


Zoals Conny Kristel, projectdirecteur van EHRI, nadrukkelijk zei, EHRI is vooral ook een netwerk van mensen die samenwerken aan Holocaustonderzoek. Er is een programma voor fellowships en er worden workshops en seminars op uiteenlopende gebieden georganiseerd. Wie bij wil blijven, kan zich abonneren op de nieuwsbrief of regelmatig kijken op de project-website.

De EHRI portal


Vorig jaar is de EHRI portal gelanceerd. De portal ondersteunt Holocaustonderzoekers, Digital Humanists, archivarissen en collectiespecialisten bij onderzoek. De portal geeft informatie over Holocaustarchieven, de archiefinstellingen waar deze bewaard worden en er zijn landenoverzichten met informatie over de Holocaust en hoe en waar de collecties bewaard zijn gebleven in het desbetreffende land.

In met name Oost- en Zuidoost-Europa wordt verder onderzoek gedaan naar Holocaustmateriaal dat tot nu toe niet of zeer moeilijk toegankelijk is. De onderzoekers presenteerden een overzicht van de resultaten en ook van EHRI’s inspanningen om de portal te verbeteren zodat deze in de toekomst nog beter aansluit bij de behoeften van de onderzoekers en archivarissen.

Document Blog & online courses


EHRI ontwikkelt ook online cursussen in Holocaust studies. Er zijn nu 5 cursussen beschikbaar op http://training.ehri-project.eu/:
Nog dit jaar komen er nieuwe online courses bij, waarbij meer gebruik gemaakt wordt van multimedia. Let op de EHRI website.

Ook staat sinds begin dit jaar het EHRI Document Blog online. Op dit blog wordt archiefmateriaal gebruikt om korte geschiedenissen te schrijven van mensen of bepaalde historische gebeurtenissen.

Het waren erg inspirerende dagen en het werkte zeer motiverend om met het hele consortium in persoon van gedachten te kunnen wisselen, bij te praten en nieuwe afspraken te maken. Nu weer hard aan de slag zodat er tijdens de EHRI General Partner Meeting 2017 veel vooruitgang is geboekt!

Door: Annelies van Nispen